Rampenbestrijding en crisisbeheersing

De burgemeester heeft het gezag bij brand en het opperbevel bij een ramp of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.

Bij bovengemeentelijke rampen en crises heeft de voorzitter van de veiligheidsregio (meestal de burgemeester van de grootste gemeente in de betrokken regio) het gezag/opperbevel. Zo is er sprake van een eenhoofdig gezag, waardoor de bestrijding van de ramp of crisis daadkrachtig kan worden aangepakt. Bij bovenregionale incidenten maken de voorzitters van de betrokken veiligheidsregio’s onderling afspraken over het coördinerend voorzitterschap (in principe coördineert de bronregio).

Om de bovenregionale samenwerking en de aansluiting Rijk – veiligheidsregio’s te versterken is in maart 2013 het rapport “Eenheid in verscheidenheid" uitgebracht. Op basis van dit rapport zijn aan de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure (GRIP) twee fases toegevoegd: Grip-5 en GRIP Rijk.

In de Wet veiligheidsregio’s is de hoofdstructuur van de crisisbeheersing en rampenbestrijding op regionaal niveau beschreven. Deze hoofdstructuur bestaat uit de volgende onderdelen:

  • de meldkamer
  • 1 of meerdere commando plaats incident
  • 1 of meerdere teams bevolkingszorg
  • een regionaal operationeel team
  • een gemeentelijk beleidsteam bij een lokale ramp of crisis of een regionaal beleidsteam bij een bovenlokale ramp of crisis.

Toezicht op de veiligheidsregio’s

De Inspectie Justitie en Veiligheid doet periodiek onderzoek naar de voorbereiding van de veiligheidsregio’s op de crisisbeheersing en rampenbestrijding. De 'Staat van de Rampenbestrijding 2016' is de meest actuele rapportage hierover.

Staat van de Rampenbestrijding 2016

Op 7 december jl. heeft de Minister de Staat van de Rampenbestrijding 2016 (Staat 2016) aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit rapport geeft de Inspectie Justitie en Veiligheid inzicht in de multidisciplinaire taakuitvoering door de veiligheidsregio’s.

De Inspectie concludeert dat de veiligheidsregio’s in de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt en in toenemende mate taakvolwassen zijn geworden. Dit geldt in het bijzonder voor de voorbereiding op rampen en incidenten en wat hiervoor is vastgelegd in plannen en samenwerkingsafspraken. Het operationeel presteren bij de aanpak van incidenten en bij oefeningen is volgens de Inspectie echter op verschillende onderdelen nog voor verbetering vatbaar.

De Staat 2016 bevat specifieke aanbevelingen aan de veiligheidsregio’s. Daarnaast doet de Inspectie de aanbeveling aan de Minister om bij de aanpassing van het Besluit veiligheidsregio’s de bevindingen van de Staat 2016 en de in de praktijk opgedane ervaringen van de veiligheidsregio’s mee te nemen.

De Minister heeft in zijn reactie op het rapport aangegeven zich goed te kunnen vinden in het beeld dat de Staat 2016 geeft. Ook geeft hij aan dat de aanbeveling ten aanzien van de regelgeving goed aansluit bij de gekozen aanpak die hij hierbij volgt.

De noodzaak om aandacht te besteden aan de kwaliteit van de multidisciplinaire taakuitvoering, bijvoorbeeld via oefenactiviteiten en evaluaties, wordt door de minister benadrukt. ‘Het is van belang dat veiligheidsregio’s inzicht verkrijgen in het presterend vermogen van hun crisisorganisatie. Oefenen, serieus evalueren en lering trekken, is en blijft een wezenlijke component van crisisbeheersing.’

Tenslotte onderschrijft de Minister het belang van de algemene aanbeveling van de Inspectie aan de veiligheidsregio’s om meer mogelijkheden te benutten om samen met andere veiligheidsregio’s en soms alle veiligheidsregio’s gezamenlijk aan verbeterslagen te werken. ‘Het uitwisselen van ervaringen, leren van elkaar, en onderkennen dat –onverlet latend de verschillen aan uitdagingen waarvoor veiligheidsregio’s zich gesteld weten- er vele overeenkomsten zijn die samenwerken rechtvaardigen, is noodzakelijk. Werken aan crisisbeheersing is een gezamenlijke activiteit.’

De Minister geeft aan in nader overleg te zullen treden met het Veiligheidsberaad en de besturen van de veiligheidsregio’s over de conclusies en aanbevelingen van het rapport en hoe hier het beste vervolg aan kan worden gegeven.